Ga naar de hoofdinhoud
#Scheepsbouwambacht

Traditionele scheepsbouw

De traditionele botenbouw is gebaseerd op ambachtelijke technieken en materiaalgerichte bouwwijzen, die gedurende lange perioden zijn ontwikkeld en beproefd. Met name in de houten botenbouw zijn precieze uitvoering, passende verbindingen en begrip van de eigenschappen van het materiaal doorslaggevend.

Werkzaamheden zoals het breeuwen van planknaden of dekken, de bouw van massief houten masten of het klinken met koperen nagels vereisen vakkennis en zorgvuldige uitvoering. De volgende paragrafen lichten fundamentele procedures en technische samenhangen van deze klassieke bouw- en reparatiemethoden toe.

Kalfateren

door Fiedrich Brunner

260212-pflege-erhaltDe ambachtelijke kennis is door overlevering gegroeid. Tot de uitstervende beroepen behoort ook de scheepstimmerman en de houtenbotenbouwer. Met de laatste meesters en gezellen zakt ook de kennis mee het graf in. Daarom kan het goed zijn wanneer deze beschrijving wat uitvoeriger uitvalt. Overigens geldt: „Oefening baart kunst.“
Breeuwen noemt men het afdichten van de planknaden van dek en buitenhuid.

Het gereedschap

De breeuwhamer is van exotisch hout, bijv. pokhout, jacaranda. Men kan ook wit- of roodbeuken nemen. Hij is cilindervormig, het middendeel is iets dikker dan de uiteinden. Deze laatste zijn met ijzeren ringen, die afschuiningen hebben zodat ze zichzelf aantrekken, tegen splijten beveiligd. De ronde steel, die in een boring steekt, heeft boven een knopachtige verdikking. Hij wordt na gedane arbeid eruit genomen.
De breeuwijzers hebben de vorm van overbrede beitels. De schacht heeft een ronde doorsnede en een kop. Het schoorijzer is ongeveer zo scherp als een mes bot is. De rabatten hebben een tot drie groeven in de „snede“. Dienovereenkomstig worden ze eerste, tweede of derde rabat genoemd.
Voor naden die langs opbouwen lopen zijn er gekropte breeuwijzers, voor rondingen rondijzers en voor stuiken smalle stuikijzers. De Spanjer heeft een schuine zool en wordt gebruikt om oud werk eruit te slaan. Voor brede naden van grote schepen gebruikt men voor het wegslaan van het werk de op een lange steel zittende klameiijzers en de klameihamer.
De peklepel is zo groot als een göps, heeft een soort tuit om te gieten en is van koper omdat men zo de tuit indien nodig kan vormen en koper de hitte goed vasthoudt. De pekschraper heeft een driezijdig blad. De dek- of ossenchaaf is ongeveer zo groot als een kleine reischaaf. Aan elk uiteinde is horizontaal een staaf erdoorheen gevoerd om vast te pakken, want hij wordt door twee man bediend.

Het breeuwkrukje is ongeveer 10 tot 15cm hoog. De breeuwkist is een hoogkant staande kist met zijklep en een grondvlak van 20 x 30cm en bijna kniehoogte. In de breeuwkist komt al het breeuwgereedschap. Men kan erop zitten of hem ook als zaagbok gebruiken.

Het materiaal

Het werk valt af bij het hekelen van het vlas. Het wordt in houtteer gedrenkt en in balen geleverd, hetzij los of in lagen geperst. De pek wordt in vaten of kannen geleverd. Katoen wordt als draad in een kluwen of dok geleverd en is niet geïmpregneerd. Het wordt alleen voor fijne bootnaden gebruikt.

Het breeuwen

260225-traditioneller-bootsbau-kalfaternHet werk begint met het spinnen van het werk. Uit de baal werk wordt het werk geplukt en, terwijl men zit, op de knie met de vlakke hand tot een nauwelijks vingerdikke streng gedraaid. Die moet mooi gelijkmatig zijn en mag geen verdikkingen of harde delen bevatten. Daarna wordt de streng tot een kluwen opgewikkeld.
De naden moeten droog en schoon zijn. Nooit over nat werk nabreeuwen!
Bij het breeuwen zit men op het lage breeuwkrukje naast de naad op het dek met in naadrichting uitgestrekte benen. Het schoorijzer wordt in de uitgestrekte vlakke hand gelegd en met de duim vastgehouden, dus geen vuist maken! De hamer wordt eveneens niet met de vuist vastgehouden maar de duim ligt op de steel, voor betere geleiding.
De slag gebeurt met losse pols. In geen geval slaan alsof men spijkers wil inslaan! Het hamergewicht doet het!
Nu wordt de streng niet eenvoudig langs in de naad gelegd maar in bochten „aangezet“. Hiervoor zijn de bredere ijzers die veel in het buitenland worden gebruikt niet zo geschikt als onze smallere Duitse, die kortere bochten afgeven en daardoor een betere afdichting bereiken. Daarna wordt de streng met het schoorijzer „weggezet“ en vervolgens met het rabat nagegaan. Deze werkhandeling herhaalt zich telkens armlengtegewijs en wel werkt men altijd van zich af. Men moet de naad steeds gelijkmatig vullen, zodat er geen bergen en dalen ontstaan.
Om de zaak beter te laten glijden, heeft men een leeg sardineblik met wat werk en machineolie bij zich. Daarin doopt men af en toe het breeuwijzer.
Staat men voor de buitenhuid of hurkt men onder de vloer, dan bindt men een stuk spekzwoerd aan de pols en vet daarmee zo nu en dan het ijzer. Omdat bij het breeuwen het dek wordt opgewigd, moet men eerst het gehele oppervlak met één streng hebben voorzien voordat men met de tweede begint.
Is het kluwen op of de streng afgescheurd, dan moet men de nieuwe aanzet met de inliggende streng verbinden, anders ontstaan er gebreken.
Om hoeken, zoals bijvoorbeeld stuiken (dat zijn de stompe plankpunten die in het lijfhout zijn ingelaten), moet de streng worden rondgeleid. Men rekent per duim plankdikte één streng, maar minstens twee. In elk geval is het beter dunnere strengen te nemen en daarvoor liever één meer.

De zijkanten van de dek- en buitenhuidplanken zijn over ⅔ van de plankdikte afgeschuind. Het onderste resp. binnenste derde blijft haaks. Daardoor ontstaan de naden. De eerste streng hecht heel licht in dit haakse derde, in geen geval doorslaan! Daar moet men op letten!

Zolang het breeuwen als „flopp“ klinkt, perst het werk nog weg. Hoort men een diep „Boem“,, dan staat de naad. Een goede centimeter van de naad moet vrij blijven voor het opnemen van de pek. Breeuwen is een kwestie van gevoel. Dat merkt men wanneer dunne planken moeten worden gebreeuwd, of wanneer men met oude schepen te maken heeft. Daarbij komt het vaker voor dat de verbanden losser zijn geworden, of dat de naden zijn uitgedroogd. Dan moet men de streng in heel korte bochten inzetten en goed stuiken. Dat bereikt men door altijd van zich af te werken. En met gevoel, met gevoel!

Dek en buitenhuid moeten niet alleen worden nabreeuwd wanneer men een lekkage vaststelt maar ook wanneer de pek in de loop der tijd is verbrokkeld, of het werk zich uit de naden heeft gewerkt. Men neemt dan breeuwhamer en passend rabat en controleert of de inhoud van de naad zo ver weg te stuiken is dat men er een streng overheen kan leggen. Is er genoeg plaats aanwezig, dan slaat men er een laag overheen en verpekt opnieuw. Zijn de naden vol, bijvoorbeeld omdat al iemand anders dit glorieuze idee had, dan wordt de oude breeuwing met behulp van Spanjer of „Rieter“ eruit geslagen resp. eruit getrokken. De Rieter is een eenvoudige stang met greep en kromme punt.

Wat doet men echter wanneer naden zo ver open liggen dat men er een muts doorheen zou kunnen gooien?

De beroepsschipper zou zijn schip nu slopen, maar dat hebben wij bij ons gebruik nog niet nodig. Men kan van binnen naadlatten ervoor spijkeren. In naadlatbreedte wordt loodwit op de planken gesmeerd (of dikke lak enz.), daarop een dunne strook teervilt, teerkarton of neteldoek gelegd en de naadlatten eveneens ingesmeerd en dan gespijkerd. Men kan ook een tweede buitenhuid opplanken. Wat men niet mag doen is een kunststofbekleding!

Oude dekken die uit elkaar zijn gewerkt, waarvan de naden kunnen met schmarting worden bespijkerd. Indien mogelijk freest of steekt men een brede groef in de naad en spijkert dan persenningstroken eroverheen. Daarvoor gebruikt men gesneden koperen nagels. Deze methode zal bekend zijn van visruim- en binnenschipluikdeksels. Men kan ook, wanneer het niet stoort, de stroken zonder groef, dus vlak, eroverheen spijkeren. Deze werkwijze werd vroeger aan de Noord-Duitse kust zelfs bij nieuwbouw toegepast.

Het verpekken

De pek heeft alleen de taak de naad te sluiten, zodat er geen werk uit kan rafelen. Pek vult hout aan, omdat het tegengesteld werkt.
Wij spreken weliswaar van „Pick koken“, maar pek mag beslist niet koken, want de bellen die zich daarbij vormen, geven na het afkoelen gaten. De pek moet zieden.
De pekketel wordt in de buurt van het te pekken oppervlak opgesteld, want de pek koelt snel af. De naad moet goed gevuld zijn, maar zo mogelijk niet overlopen. Daarom bij voorkeur één keer voor- en dan nagieten. Pek die uitsteekt, wordt na enkele dagen met de bekende pekschraper verwijderd. Maar zo dat de pek niet uitbreekt en ook het hout niet wordt beschadigd. Mocht het nodig zijn, dan wordt het oppervlak met de „Ossen“ geschaafd, maar lange halen! Niet de dubbele schaaf nemen en uit luiheid alleen kleine oppervlakken schoonmaken, dat geeft deuken en op dek eeuwige plassen. Daar lekt en rot het het eerst.
Breeuwen en vooral het pekken onder de vloer is moeilijk. Vroeger werden de schepen voor dit doel aan de oever gekielhaald, d.w.z. op de zijkant gelegd. Om de pek in deze naden „hinein te toveren“, sloegen de scheepstimmerlieden zich een pint van dun touw (door de zeilmaker laten tonen en proberen zelf te maken). Met deze pint werd de vloeibare pek in de naden gestreken. Men kan de naden ook kitten. Dan moeten ze met vernis voorgestreken worden en uiteraard droog zijn. Op de door de chemie ontwikkelde moderne afdichtingsmiddelen wordt op deze plaats niet nader ingegaan. Wij moeten onze oude schepen geven wat ze gewend zijn.

Wie zijn leven lang borrel en bier heeft gedronken, die slurpt op zijn oude dag geen Coca Cola of Fanta!

Wat tot nu toe gezegd werd, geldt ook voor boten, alleen neemt men, omdat de naden fijner zijn, katoendraden en sluit af met kit. Hoogstens voor de kielgroef neemt men werk. Ook laat men de breeuwhamer achterwege en slaat met de ronde houten hamer, niet met het hoekige klophout!

En nu kan het erbij gebeuren! Maar met gevoel zeg ik jullie!

Fiedrich Brunner

Download als PDF

De bouw van massief houten masten

door Joachim Kaiser

260225-traditioneller-bootsbau-vollholzmasten
  • Ontwerp en dimensionering
  • Keuze en gesteldheid van het hout
  • Het benodigde gereedschap
  • Van boomstam tot vierkanthout
  • Van kanthout tot rondhout
  • Fijnafwerking en onderhoud

De bouw van een mast uit massief hout

Vorm en afmetingen van de masten van verschillende typen zeilschepen kunnen sterk variëren, ook al blijven de afwijkingen altijd binnen bepaalde grenzen. Naast typegebonden verschillen speelt ook altijd de bestemming en het vaargebied van het afzonderlijke schip een rol. Schepen die overwegend in windarme gebieden opereren, waren altijd hoger getuigd dan zwaarweer-vaartuigen; een lichtgebouwde kotterjacht heeft altijd wezenlijk lichtere rondhouten dan een vissersvaartuig van dezelfde grootte, aan wiens mast de volle netzakken uit het water moeten worden gehesen. Extreme diktes bereiken de rondhouten bijvoorbeeld bij de reddingskotters Colin Archers: Deze schepen dienden ertoe om tegen aflandige storm met 3 - 4 Nordlandboten op sleeptouw op te kruisen tot onder de bescherming van de kust. Ook hebben platbodems met hun hoge aanvangsstabiliteit meestal sterkere masten dan even grote kielschepen, die zachter op de winddruk reageren.

Terwijl de masthoogte uiteindelijk van schip tot schip verschillend is, valt over de dikte al nauwkeuriger iets te zeggen. Men gaat hierbij uit van de scheepsbreedte B en berekent de grootste dikte van de grootmast (d) uit de volgende eenvoudige formule:

(B x 6) x 100 = d.

In woorden: Men vermenigvuldigt de scheepsbreedte in meters met 6 en verkrijgt de mastdikte in centimeters. Meer dan een richtwaarde is deze formule niet; overeenkomstig de hierboven genoemde eisen en eigenschappen kan de mastdikte van deze formulewaarde afwijken. Bij de tegenwoordig nog zeilende oude schepen, die immers allemaal niet meer onder authentieke omstandigheden werken, hoeft men deze waarde nauwelijks te overschrijden, eerder te onderschrijden. Zo kan men voor een klapmast, waarvan de ondermast paalvormig en bijna zonder verjonging is gebouwd, van de factor 6 tot 5,5 omlaag gaan. In welke verhouding geringe verschillen van de diameters tot overeenkomstige verschillen van de doorsnedeoppervlakken (en daarmee van de breuksterkte) staan, wordt hier aan twee korte voorbeelden getoond:

Het oppervlakteverschil tussen een 20- en een 22-centimeter-mast bedraagt 66 cm², wat op zijn beurt overeenkomt met een verschil van 22%. 66 cm² zou het doorsnedeoppervlak zijn van een rondhout van 9,2 cm diameter! Als een mast dubbel zo sterk - vanuit de theoretische breuksterkte gezien - moet zijn als bijvoorbeeld die van 20 cm diameter, dan zou hij 28,3 cm dik moeten zijn (en niet 40 cm). De formule voor de berekening van een cirkelrond oppervlak luidt F= r ² x 3,14.

Bij de dimensionering van andere rondhouten (bomen, gaffels, ra’s) gaat men uit van de volgende formule:

Boomlengte in meters x 2 - 2,2 = grootste diameter in centimeters.

Aangezien dergelijke rondhouten gewoonlijk een sterkere verjonging hebben dan een paalmast, kan de diameter aan de boomuiteinden tot 30 % geringer zijn. Voor de boom kiest men daarbij het sterkere uiteinde naar de nok toe naar achteren, terwijl de gaffel haar sterkere uiteinde aan de klauw heeft.

Ten slotte hebben ook de kwaliteit en soort van het hout invloed op de diktematen. Een sparrenmast mag gerust iets dikker zijn dan een lariks- of grenenmast. Is men daarentegen in de gelukkige positie Pitch Pine of Oregon te kunnen verwerken, dan kunnen alle diktes 10% geringer worden genomen ten opzichte van de gebruikelijke naaldhoutsoorten.

Keuze en gesteldheid van het hout

De keuze van de houtsoort zal bijna altijd moeten worden bepaald door de in de buurt beschikbare soorten, omdat het transport van afzonderlijke lange stammen over langere afstanden duurder kan worden dan het hout zelf.
In aanmerking komen in onze breedten gewoonlijk spar, zilverspar, den, lariks, douglas.
Als men al deze soorten ter keuze had, dan zou het moeilijk zijn te zeggen welk hout men het beste zou moeten nemen. Een gelijkmatig gegroeide lariks is zeker een zeer goed masthout, is in grotere afmetingen echter niet eenvoudig te krijgen. Japanse (snelgroeiende) lariks moet men niet nemen, maar alleen Europese. Problemen zijn er met sommige lariksen vanwege hun neiging tot draaigroei - sommige vers verwerkte stammen, en niet alleen lariksen, draaien zich bij het drogen zo ver open dat de top later tot 20° uit de scheepsmiddenlijn kan wijzen! Dit zou bij de douglas niet zo gemakkelijk gebeuren, waarvan het hout ook verder graag wordt genomen, vooral voor extreem hoge masten. Dennenhoutsoorten kunnen onderling behoorlijk verschillen; een goede soort levert in elk geval een zeer mooie mast op. Bij zilversparhout zouden er af en toe moeilijkheden zijn met dode knoesten. Het eenvoudigst en goedkoopst te krijgen is het sparrenhout, dat in zijn vermogen zelfs sommige andere naaldhoutsoorten overtreft en bovendien een van de lichtste houtsoorten is. Op grond van zijn geringere harsgehalte is spar minder weersbestendig dan de andere naaldhoutsoorten, maar hier komt het toch zeer op de afzonderlijke boom en ook op het onderhoud van de nieuwe mast aan. Gebrekkig onderhoud en behandeling vooral in de eerste twee jaar kunnen ook de beste Pitch-Pine-mast vroegtijdig ruïneren.

Overigens heeft juist Pitch Pine als hout van uitstekende weersbestendigheid een valkuil: Over langere perioden reageert het gevoelig op luchtafsluiting in combinatie met vocht en druk evenals op aanraking met ongegalvaniseerd ijzer. Zo zijn oude Pitch-Pine-masten gewoonlijk in de mastkraag rondom aangetast, kunnen onder het oppervlak gaan rotten rondom hakbouten (lummelbeslag!) heen, onder boutplaten en brede beslagdelen, terwijl alle zichtbare delen nog in allerbeste toestand zijn.
Belangrijk bij de keuze van een boom is vooral de bodem waarop hij groeit, evenals ook zijn nabije omgeving. Nooit moet men bomen nemen die in moerassige, drassige gebieden zijn gegroeid - elke vorm van snelle groei heeft een nadelig effect op elasticiteit en algemene houtkwaliteit. Snelgroeiende bomen hebben grote afstanden tussen de jaarringen en zijn vooral in moerasgebieden gevoelig voor stamrot en boomziekten. Hoe langzamer een boom is gegroeid, des te beter is zijn hout. Daarom zou men zijn mast uit een bos met steenachtige of leemachtige ondergrond moeten halen. De Nederlanders bijvoorbeeld, op wier doorvochtigde bodems geen behoorlijke houtsoorten kunnen groeien, geven als importwaar de voorkeur aan zilversparren en dennen uit Noorwegen of de Spessart; noordische spar met zijn dicht opeenstaande jaarringen behoort tot de beste houtsoorten voor een mast.

Invloed op de groei heeft ook de nabije omgeving van de boom. Op steile hellingen neigen de meeste bomen tot krom worden, wat overigens ook aan bosranden kan voorkomen. De slankste, gelijkmatigste bomen vindt men steeds midden in het bos tussen ongeveer even hoge bomen. Alleenstaande of alles overragende bomen zouden bovendien gevoeliger zijn voor draaigroei, die men bij veel boomsoorten aan het verloop van de schors kan herkennen. In elk geval moet men het uitzoeken niet zonder een ervaren houtarbeider of boswachter doen, die zijn specifieke boomsoorten beter kent.
Men zal eerst op zoek zijn naar rechte groei en voldoende voetdiameter. Of een boom enigszins krom is, merkt men meteen wanneer men het hoofd tegen de schors legt en langs de stam peilt (wat ook later bij de bewerking de beste controle is). Voor het vaststellen van de hoogte gebruiken veel boswachters een hoekmeetinstrument, dat als een eenvoudige sextant werkt; moeilijker te beoordelen is meestal of een stam die voldoende lengte en aan de voet voldoende sterkte heeft, ook boven in het gebied van de toekomstige top voldoende vlees heeft.

Juist op deze plaats worden echter de meeste fouten gemaakt. Leken neigen ertoe stammen naar de gewenste sterkte van de mast op ooghoogte uit te zoeken – onvermijdelijk wordt dan de masttop te dun, een fout die vervolgens niet meer corrigeerbaar is. Even verkeerd is het andere uiterste - namelijk uit louter angst een veel te dikke stam te willen kopen.Een hulp bij het uitzoeken van de geschikte stam in het bos is de oude vuistregel van de boswachters:

Per meter hoogte neemt de diameter van de stam met ongeveer 1 centimeter af.

De meeste naaldhoutsoorten - en vooral de spar - hebben dicht onder de schors hun grootste taaiheid, terwijl het kernhout relatief gemakkelijk breekt; het merg heeft een aanzienlijk geringere langssterkte. Men zou dus het beste weghobelen van een veel te dikke stam. Juist wanneer men een klapmast wil bouwen, die onderaan in een vierkant uitmondt, is men altijd geneigd een veel te dikke stam te kiezen, waarin het vierkant nog volledig aanwezig is. In het belang van een elastischere mast en een eenvoudigere bewerking zou men in geval van twijfel echter liever een geringere diameter kiezen en de ontbrekende hoeken van het vierkant later oplijmen. In elk geval is altijd de stam de beste waarvan het minst moet worden afgenomen. Ook moet men erop letten of de stam werkelijk rond is (behalve helemaal onderaan de voet). Ligt bij de toekomstige mast de kern niet goed in het midden, dan kan het bij het geleidelijk opdrogen tot ernstige vervormingen komen. Ook moet men - vanwege de vele knoesten - met de toekomstige top niet te ver in de kroon van de boom terechtkomen.

Veel is er al gesproken over het beste tijdstip om de boom te vellen. Zo was er al sprake van winterse vollemaansnachten, vaak heet het ook dat er na de tweede vorst bij het begin van de winter gekapt zou moeten worden. Zeker juist is dat de maanden november tot eind februari zeer gunstig zijn, omdat dan alle sappen in de boom tot rust zijn gekomen. Toch kent men ook in de zomer gekapte bomen waaraan niets nadeligs werd waargenomen. Vroeger, toen de mensen meer tijd hadden en verder vooruitzagen, heeft men vaak de uitgekozen stam laten afsterven zonder hem te vellen, en liet men hem tot twee jaar in het bos staan om uit te drogen. Men bereikte dit door ruim boven de grond een brede strook schors rondom de stam te verwijderen, vaak ook aanvullend een strook onder de kroon, waarmee het saptransport tot stilstand komt.- Vermeld zij hier nog een in vergetelheid geraakte methode om het harsgehalte van een boom vóór het vellen aanzienlijk te verhogen:

De bomen waaruit de Vikingen hun tot op heden bewaarde houten staafkerken bouwden, werden een jaar vóór het vellen zo ver van takken ontdaan dat alleen helemaal boven nog een klein dennenboompje ("kwast") bleef staan. Dit hield de boom nog net in leven, en binnen een jaar zette zich in de stam een aanzienlijke hoeveelheid hars af. Over nieuwere proeven met deze oude methode is mij niets bekend; het zou zeer interessant zijn te vernemen of men op deze manier de kwaliteit van zijn toekomstige mast kan verbeteren.

Voordat de boom geveld is, valt uiteindelijk maar weinig te zeggen over of hij werkelijk foutvrij gegroeid is. Pas bij het bekijken van beide afgezaagde stameinden ziet men of hij vrij is van rood- of blauwrot, welke tint en hoe sterke geur het hout heeft (wat uitsluitsel kan geven over het harsgehalte). Evenveel discussies als over het juiste tijdstip van kappen worden gevoerd over wat met de vers gekapte stam het beste te doen is. Vroeger zwoeren velen erbij de masthouten ongeveer twee jaar in het water te leggen, het liefst in langzaam stromend zoet water. Daarmee werd het uitspoelen van de groene sappen uit het verse hout bereikt. Dat deze behandeling optimaal is, bestrijdt tegenwoordig niemand; veel scheepsbouwers menen echter dat zij niet nodig is.

Wie echter zo ver vooruit kan plannen, zou zijn rondhouten zo vroeg mogelijk moeten aanschaffen en ze laten afliggen, ongeacht of droog of nat. Laat men zijn stammen drijven, dan moeten ze slechts af en toe worden gedraaid. Bij droge opslag moet men al iets meer opletten:

  • De stam moet op drie tot vier bokken zonder doorbuiging liggen,
  • ...mag niet aan de felle zon blootgesteld zijn
  • ...en ook niet aan de wind, omdat hij anders bij het drogen te sterk scheurt.

In de schuur of achter de schuur, afgedekt met een zeil of teerkarton, dat onderaan gerust open kan zijn, droogt de stam het gelijkmatigst uit. De schors wordt pas bij het begin van de bewerking verwijderd. Even schadelijk als temperatuur- en vochtigheidsvallen is het liggen op de grond. Dit is het zekerste middel om blauwrot en andere aantasting in de stam te krijgen.

Het benodigde gereedschap

Voor het verwijderen van de schors heeft men een schorsschaaf of een vergelijkbaar gereedschap nodig; de loszittende schors van afgelagerde stammen kan men ook met een brede steekbeitel afhakken. Voor het gladmaken van grove takstompen en de uitvouwen aan de voet heeft men een scherpe, handzame beugelzaag (Zweedse zaag) nodig. Hiermee kan men ook de eerste grove vlakken uitwerken, door elke halve meter de stam tot goed vóór het toekomstige vlak in te zagen en dan met een sterke steekbeitel (beitel) of een dissel (zie onder) het hout tussen de zaagsneden af te splijten. Een sterke steekbeitel samen met (houten) beitelhamer heeft men voor allerlei houtwerk toch bij de hand.

De minder ervaren zelfbouwer zij aangeraden de grove voorwerkzaamheden liever hiermee uit te voeren en van dissel of vlakbijl af te zien. De dissel is een soort bijl met dwarsstaande snede; hij dient hoofdzakelijk voor het afwerken van grove oneffenheden, afschuiningen enz. Met de scherpe snede hakt men een stuk in het hout (of ook in het eigen scheenbeen) en breekt door drukken op de lange steel een spaan eruit (of de steel af). Het gemakkelijkst werkt men met de dissel wanneer men het werkstuk onder zich tussen de benen heeft.

Onkundigen worden nadrukkelijk voor dit gereedschap gewaarschuwd.

Onschuldiger, maar tegenwoordig tamelijk onbekend is de vlakbijl - eigenlijk een normale bijl, alleen dat de ene zijde geheel vlak is uitgevoerd (aan de steelkant). Met de vlakbijl kunnen verticaal staande vlakken goed worden bewerkt wanneer men erboven staat.

Tegenwoordig is het belangrijkste gereedschap echter de elektrische handschaaf. Bij de aanschaf daarvan moet men niet te zuinig zijn en zich een apparaat aanschaffen dat niet halverwege oplost in warm plastic. Een paar reservemessen (HSS) moet men erbij hebben en - vooral belangrijk - gehoorbescherming. Voor de fijnafwerking kan men een bandschuurmachine goed gebruiken. Wie echter goed met een flex (haakse slijper) kan omgaan, komt met rubber schijf en schuurschijven van verschillende korrelgrootte ook behoorlijk ver. Voor de nabewerking zou dan een vlakschuurmachine kunnen volstaan. Belangrijkste meetgereedschap is de diktemaat (buitentaster). Dit apparaat beschrijft men het beste als een steekpasser met naar binnen gebogen benen. De benen klapt men boven de na te meten plaats van de stam samen en meet met de duimstok tussen de punten van de weer afgenomen passer de dikte uit. Bij kleinere diameters kan men ook een grote schuifmaat gebruiken; verder is de diktemaat echter onvervangbaar en voor dit werk onmisbaar.

Voor het aftekenen en controleren is ten slotte een vaste dunne lijn noodzakelijk. De klassieke smetlijn met krijt functioneert bij mastbouw niet altijd zo goed, omdat de krijtstreep op het lichte, vochtige hout slecht zichtbaar is en niet blijft zitten. Men kan in plaats daarvan tekenkool (houtskool) nemen, of een vaste, dikke viltstift resp. timmermanspotlood.

Van boomstam tot vierkanthout

Na het opbokken en ontschorsen wordt de mast van alle kanten voorzichtig glad geschaafd, totdat alle grovere oneffenheden verdwenen zijn. Aansluitend vormt men zich met oog en lijn eerst eens een beeld ervan hoe de stam nu eigenlijk precies gegroeid is - duidelijker gezegd:

Hoe krom hij werkelijk is en waar de afzonderlijke krommingen zitten.

Zolang hij slechts in één en niet in meerdere richtingen krom is, kan men zulke fouten vaak zelfs benutten. Want zuilvormig symmetrisch worden eigenlijk alleen steng-ondermasten en bezaanmasten gebouwd, terwijl de grootmasten bij de kleine vaartuigen van Midden- en Noord-Europa overwegend krom gevormd waren. En wel werkte men steeds de top van de grootmast aan de achterzijde af, zodat de mast een naar voren gebogen uiterlijk kreeg. Omdat het bovenste mastdeel voornamelijk de sterke trekkrachten van het piekeval moest opvangen, was dit de logische vorm. Dit naar voren gebogen uiterlijk werd gaandeweg zo mode onder de kleine zeilers, dat de werfmensen de schippers hun masten ten slotte helemaal niet krom genoeg konden bouwen. Krom waren de steekmasten ook meestal onder dek; ook hier was meestal de achterzijde iets afgewerkt. Onder dek echter heeft men volledig vrije hand. Belangrijk is slechts dat de stam in de toekomstige dwarsscheepse richting geen noemenswaardige krommingen heeft, omdat het later met zekerheid tot vervormingen komt wanneer men deze afwerkt. Langsscheepse vervormingen vallen bij de gebogen statuur van een grootmast ofwel niet op of versterken zijn karaktervolle uiterlijk.

Heeft men eenmaal besloten welke zijde eenmaal naar voren zal komen te staan, dan bokt men de mast op met deze zijde naar boven en richt hem precies uit. Bij het aftekenen van de beide stameinden gaat men eerst uit van een rondom symmetrische statuur en probeert boven en onder telkens een vierkant af te tekenen, waarvan de kantlengtes overeenkomen met de toekomstige mastdiameter. Daarbij moet steeds de kern van de stam ook in het middelpunt van het vierkant liggen. Aangezien deze eerste figuur nog geen verjonging bevat en het omtekende vierkant van de mastdiameter met zijn hoeken buiten de stam uitloopt, moet men hier zijn voorstellingsvermogen wat te hulp nemen. Zolang er echter überhaupt nog vier mogelijkerwijs vrij smalle vlakken bij het bijschaven van deze vierkante zuil zouden ontstaan, is alles in orde.

Op deze plaats komt het nu vaak tot afwijkingen van de oorspronkelijk voorziene maten. Is de stam toch iets te dun - vooral in de top - of zo ongelukkig gekromd dat men de voorziene diameters niet kan bereiken, dan betekent dat nogmaals goed nadenken. Maar zolang men zich binnen de hierboven genoemde tolerantiegrenzen beweegt, hoeft men niet meteen weer het bos in te lopen.

Voorwaarde is natuurlijk een werkelijk goede houtkwaliteit. Is de mast anderzijds in de planning dunner dan het volgens de voorliggende stam nodig is, dan mag men gerust een paar centimeter meer laten staan (waarbij natuurlijk bedacht moet worden dat een overmaat effect heeft op windweerstand en topzwaarte.

Heeft men zich ervan overtuigd dat de stam ongeveer oplevert wat men ervan verwacht, dan wordt voorzichtig het eerste vlak aangezet. Onder veelvuldig meten werkt men zich, steeds weer met lijn en oog controlerend, tot aan het kaarsrechte oppervlak toe (wij spreken hier niet van extreem kromme masten).
Dan wordt de mast 180° gedraaid, zodat zijn latere achterkant kan worden bewerkt. Met grof gereedschap en zonder precies op de millimeter te letten, wordt nu deze zijde geschoond zonder rekening te houden met de verjonging. Zo kan men nu ook met de beide overige zijden te werk gaan, voordat men zich met de curves bezighoudt, of men werkt de achterkant meteen af tot zijn definitieve verjonging. Het gehele middendeel van de mast, dat ongeveer overeenkomt met de hijs van de gaffelklauw, heeft sowieso nauwelijks verjonging, verjongt zich dus gelijkmatig en gering, zodat hier ook met de lijn kan worden gewerkt. Voor het uitwerken van de verjonging neemt men op afstanden van 0,5 - 1,0 m de diktematen uit de tekening, tekent ze zijdelings aan of slaat het houtoppervlak overeenkomstig ver met de steekbeitel in. Het afwerken gebeurt op het oog; wie onzeker is, moet een strooklat gebruiken, met behulp waarvan ongelijkmatigheden meteen kunnen worden blootgelegd.

Heeft men eerst de achterkant afgewerkt, dan wordt per smetlijn het midden gemarkeerd en naar beide zijden toe het verloop van de zijvlakken afgetekend, op het voor- en achtervlak. Deze worden eveneens afgewerkt tot aan de streep en alle vlakken die absoluut haaks op elkaar moeten staan, worden klaar geschaafd. Het resultaat is nu een (niet overal volledig kantig) vierkanthout met verjonging.

Van kanthout tot rondhout

Als volgende maatregel moet men één of twee van de mastbokken zo ombouwen dat de mast veilig op zijn hoge hoeken of later als rondhout kan liggen. Men bereikt dit bijvoorbeeld door twee gekruiste planken of door een oplegbalk met V-vormige uitsparing. Maar voordat het vierkant op de hoge hoek wordt gezet, begint een langdurig aftekenen. Allereerst wordt op alle vier vlakken de middellijn gemarkeerd, op de rechte met smetlijn, op de zijkanten met lijn en lat.

Om van vierkant naar achtkant te komen, zet men nu op willekeurig veel punten van alle vier vlakken een maat uit, die met een vuistregel in het hoofd te berekenen is. En wel meet men op het punt dat men wil markeren met de diktemaat de mastdiameter d (=kantlengte van het vierkant). Deze in centimeters afgelezen waarde neemt men maal twee en zet hem in millimeters aan beide zijden van de betreffende middellijn uit. Heeft men dit op alle vier vlakken gedaan en verbindt men de nieuwe punten onderling door het afschaven van de hoeken, dan verkrijgt men met voldoende nauwkeurigheid een regelmatig achthoek. Doelmatig is het alle vier zijden na elkaar af te tekenen en de lijnen goed zichtbaar door te strakken, zodat men achteraf ononderbroken kan schaven zonder tussendoor door denkwerk te worden afgeleid. Bij het gladschaven van de achthoekvlakken moet men niet te onnauwkeurig te werk gaan en het resultaat hier en daar controleren - namelijk of de vlakken rondom even breed zijn. De vuistregels volgens welke hier wordt gewerkt, hebben namelijk de valkuil dat ze op de juistheid van de aanwezige vlakken voortbouwen. Heeft men al helemaal aan het begin ongelijkmatigheden over het hoofd gezien (verkeerde hoeken, verschillend brede vlakken), dan verkrijgt men achteraf ondanks naleving van de regels mogelijk een eivormige mastdoorsnede.

De weg naar de achthoek is in zoverre iets moeilijker, omdat op één plaats - bij de klapmast zelfs op twee - het vierkant moet blijven staan, zodat men niet meer zo goed met het oog langs de mast kan peilen. Elke mast blijft ter hoogte van de wantoplegging (hummer, ezelshoofd) kantig, zodat hier de mastwangen (kalveren) behoorlijk bevestigd kunnen worden. Naar de onderzijde toe gaat het vierkant zacht in het ronde over, naar boven toe is er een scherpe rand, die later door de wantkussens wordt opgevuld. De klapmast blijft in het gebied van de koker kantig; het vierkant loopt direct boven de koker zacht uit naar rond.

Bij kleinere diameters, dus bijna altijd bij de rondhouten, kan men de achtkant op het oog rond bijwerken (bij gunstige uitgangsdiameters en enige vaardigheid zal men soms het kantige tussenstadium geheel overslaan). Grote diameters vereisen echter nog de zestienhoek, wanneer het eindresultaat werkelijk rond moet worden. Weer neemt men zijn buitentaster (diktemaat), duimstok, lijn en stift ter hand en markeert op alle acht vlakken het verloop van hun middellijn. Vanaf deze wordt op willekeurig veel punten per vuistregel de volgende waarde naar beide zijden toe uitgezet:
Men meet de diameter van de stam (d) in centimeters en zet hem in millimeters naar beide zijden uit. Uit de verbinding van de naast elkaar liggende punten resp. lijnen ontstaat een (enigszins) regelmatige zestienhoek. De breedte van zijn vlakken is vrij precies de halve vlakbreedte van de achthoek, maar men moet dit verband niet gebruiken voor het uitzetten van de waarden, op dit punt zouden aanwezige onnauwkeurigheden zich optellen.

Op de weg van acht- naar zestienhoek vallen niet meer al te veel spanen, van zestienhoek naar rond nog minder. Ook al jeukt het de ambachtsman nu om zijn werkstuk meteen een meubelglad oppervlak te geven, toch is het bij de werkwijze van een zelfbouwer verstandiger om op deze plaats halt te houden. Hoogstens de spoortap zou men kunnen uitwerken en misschien ook al de ondermast, die immers vrij van beslag is, in zijn definitieve vorm brengen. Overal daar echter waar ringbeslagen op de mast worden gedreven, moet men met de fijnafwerking wachten tot de beslagen klaar zijn. Op deze manier heeft men het veel gemakkelijker om ondanks oneffenheden aan de mast en aan de beslagen deze precies op de plaats te drijven waar ze moeten blijven zitten. En terwijl de beslagen in bewerking zijn, heeft de mast wat tijd om uit te drogen. Alleen met deze methode kan men bij groen verwerkte houtsoorten voorkomen dat de ringbeslagen na de eerste zeilzomer 25 centimeter lager zitten!

Fijnafwerking en onderhoud

Stelt men het oppervlaktewerk aan de mast voorlopig uit vanwege deze overwegingen, dan moeten meteen maatregelen tegen het scheuren van het hout worden getroffen. Uit de vers bewerkte oppervlakken ontsnapt namelijk enorm veel vocht, terwijl de lagen daaronder slechts zeer weinig verliezen. Drogend hout krimpt echter niet onaanzienlijk, er ontstaan spanningen en het oppervlak scheurt in (windscheuren). Vooral in het warme seizoen verloopt dit proces zeer snel, daarom is het beter een mast in het koele seizoen te bouwen. Het scheuren kan men voorkomen of ten minste beperken door enerzijds de mast te beschermen tegen directe inwerking van zon, warmte, regen en wind. Grote masten worden vanzelfsprekend meestal in de openlucht gebouwd, zodat hier alleen zorgvuldig afdekken helpt.

Goede resultaten heeft een lang, smal zeil opgeleverd, dat boven de mast werd bevestigd en naar beneden open was (zonder daarbij omhoog te kunnen waaien). Hierbij ontstond bij zonnestraling onder het zeil een vochtigheidsklok, die te snel drogen verhinderde. Bijzonder belangrijk is het echter om het houtoppervlak direct na het stopzetten van de houtwerkzaamheden grotendeels af te sluiten - door dunne houtbeits (Bondex, Benar-olie, Owatrol), door verdunde lijnolievernis of verdunde blanke lak. Tweemaal kort achter elkaar sterk verdund aangebracht, is dit samen met de afdekking de meest effectieve bescherming tegen scheuren. Gaat men aan de eindwerkzaamheden, dan schuurt of schaaft men de beits weer weg.

Nog een woord over de ringbeslagen: Op de ruw voorbewerkte mast wordt hun plaats gemarkeerd; met de diktemaat stelt men dan de kleinste diameter op deze plaats vast (men zal bijna altijd moeten vaststellen dat de mast ondanks nauwkeurig werk niet overal gelijkmatig rond is). Volgens deze vastgestelde diameter worden de beslagen vervaardigd. In de regel worden ze ook niet helemaal rond en maatvast; de verzinkerij brengt uiteindelijk nog een halve millimeter aan op de binnenmaat.
Ten minste het bovenste beslag moet - precies zoals de masttop - enigszins conisch worden uitgevoerd, beter is het als ze dat allemaal zijn, al is het maar aan hun onderste uiteinde. Voor een smid zou dat geen probleem moeten zijn, een slotenmaker ziet hierin waarschijnlijk een moeilijkheid. Hij moet dan minstens de onderste binnenrand van het ringbeslag zo uitslijpen of vijlen dat het hout bij het opdreven van het beslag niet wordt beschadigd en dunne spanen zich vóór het beslag krullen. Bij het opdreven van het beslag wordt de mast na elke passing zo lang bewerkt (met fijnere gereedschappen zoals rasp, vijl en ten slotte schuurpapier), totdat het beslag tot kort vóór de streep kan worden geschoven. Het laatste stuk drijft men het, nadat de mast behoorlijk is ingevet, onder gelijktijdig slaan met twee zware hamers zo ver op het hout, totdat het niet meer beweegt. Om het zinkoppervlak niet te beschadigen, wordt hardhout of een koperen hamer ertussen gehouden. Vastschroeven zou ik het beslag pas na de eerste zeilzomer - dan zou het niet meer verder naar beneden moeten glijden. Op rondhouten zonder conische verjonging brengt men ringbeslagen tot houden door rondom de mast drie metalen stukjes zo in te laten en te bevestigen dat het beslag er eerst overheen kan glijden, maar verder beneden daarop komt te zitten. In het uiteinde van een rondhout wordt vaak een schouder ingewerkt (rondom een abrupte verjonging van de diameter), waarboven het eveneens conisch uitgevoerde beslag komt te zitten zonder te kunnen glijden (los mag het natuurlijk niet zitten). Ringbeslagen hebben daarnaast de functie om bij sterke belastingen het splijten van de mast aan zijn uiteinden te voorkomen. Daarom moet helemaal boven (topzeil of dirk) en ook helemaal onderaan bij de mastvoet steeds een strak opgedreven ringbeslag zitten. Zulke beslagen werden vroeger drijfbanden genoemd.

De mastwangen (kalveren)en wantkussens worden uit eiken of ander hardhout vervaardigd. De kalveren liggen met hun hele oppervlak tegen de vierkant gelaten mast aan. Hierbij moet erop worden gelet dat ze naar beneden toe iets in de mast zijn ingelaten; hun binnenvlakken lopen - overdreven gezien - naar beneden toe iets samen. Afhankelijk van de maststerkte zijn ze ongeveer 0,2 - 0,5 cm diep ingelaten; hun onderrand zit dus op een rand van precies deze diepte. Dit is voor de houvast van bijzonder belang. Na het oplijmen en uitharden van de wangen worden deze door drie klinkbouten (desnoods ook schroefbouten, doorgaand) versterkt. De wantkussens liggen op het vierkant en de kalveren en sluiten zich van beide zijden aan tegen de ronding van de bovenmast. Hun buitenranden zijn zacht afgerond, zodat de wantlussen niet al te plotseling worden geknikt. Het wantkussen wordt, zodat het vervangbaar blijft, alleen met vet of teer geplaatst en met een - twee schroeven bevestigd. 

Direct na zijn ambachtelijke voltooiing moet de mast weer behoorlijk met olie of beits worden behandeld. Een groene mast lakken moet men in geen geval - men zou zich daarmee een goed verzegelde rothaard scheppen (verstikkingsrot, blauwrot, droogrot enz.). Helemaal aan het begin een laag gif (Xylamon) is nooit verkeerd, de volgende laag zou uit verdunde lijnolie kunnen bestaan (geen vernis!), misschien met wat houtteer vermengd. Zodra deze tinctuur in het hout is getrokken, moeten minstens vijf lagen houtbeits volgen (zie boven). Door Owatrol wordt een programma aangeboden dat bij het ruwe hout begint en met andere beitsen bij het afgewerkte oppervlak eindigt (Owatrol D1 & D2). Men moet er altijd aan denken dat een gaffelmast door de slijtage van gaffelklauw, koralen of mastringen aan enkele oppervlaktebelastingen wordt blootgesteld, waardoor vooral een goede doordrenking en grondering van het hout belangrijk lijkt. Vaak kunnen door de combinatie van oude en nieuwe methoden goede resultaten worden bereikt - eerst lijnolie en houtteer, dan openporige beitsen zoals die van Owatrol. Het onderhoud in het eerste en misschien nog in het tweede jaar beslist over de levensduur van de mast. Laat men hem door gebrek aan conservering zwart worden, dan neemt hij bij zonnestraling bijzonder veel warmte op en scheurt bijzonder diep in. Ik heb al zo ver opensperrende scheuren gezien dat men zijn hand bijna tot in de kern kon schuiven.

Windscheuren zijn met geen macht ter wereld weer te verwijderen. Hoe dieper ze gaan en hoe verder ze gapen, des te meer rotstoffen kunnen zich erin verzamelen. Kleinere windscheuren zijn eigenlijk geen reden tot zorg, bij een goed onderhouden mast schaden ze niets. Het meest effectieve tegenmiddel is alweer een oud beproefd middel:

Men giet de scheuren vol met heet rundertalg. Dit moet natuurlijk bij liggend rondhout gebeuren. Omdat rundertalg bij kou kruimelig wordt - men kent het bijv. van mezenringen - mengt men het eenvoudig met wat geel smeervet (stopbusvet). Daardoor wordt het niet alleen soepeler, maar past het zich qua kleur ook beter aan het hout aan. Een toevoeging van 10 - 15 % leek mij altijd voldoende te zijn; voegt men te veel toe, dan wordt het mengsel in de zomer te snel vloeibaar en lekt eruit. Daarmee moet men sowieso altijd rekening houden, vooral wanneer de scheuren breder zijn dan 8 mm. Afgezien daarvan dat het de scheuren sluit, werkt de talg daarnaast nog conserverend; de lichtere bestanddelen trekken in het omliggende hout, de achterblijvende rest neemt een harsachtige structuur aan en wordt ook bij warmte niet meer vloeibaar. In elk geval is het gietsel probleemloos overschilderbaar, bijv. met Benar-olie, en wordt daardoor zelfs weer opgefrist.

Men kan niet genoeg waarschuwen voor andere pogingen, bijvoorbeeld uitspuiten met kunststofmassa. In vochtige perioden zwellen rondhouten zo aanzienlijk op dat de windscheuren zich met millimeters kunnen vernauwen. Het plastic wordt dan eruit geperst en steekt boven het oppervlak uit als lelijke spataderen. Snijdt men het dan af, dan blijft in droge perioden niets meer over, en men kan waarnemen dat het plastic zijdelings van de scheurranden loskomt. Water kan weer binnendringen, en in de beschutting van de plasticresten gedijen de onvermijdelijke rotkiemen dan bijzonder prachtig. Nog erger is het dichtplamuren - de uitgeharde kit geeft bij vochtgerelateerde uitzetting niet mee en leidt daarmee tot geleidelijke uitbreiding van de scheurvorming. In elk geval vindt het water ooit de weg in nieuw ontstane spleten en begint met vorst en rot zijn vernietigingswerk. Bij brede windscheuren zal men geen andere keuze hebben dan ze open te steken of te frezen en een lat in te lijmen. Men doet er goed aan daarvoor een zachtere houtsoort te nemen en de daarachter liggende tussenruimten met rundertalg vol te gieten zoals hierboven beschreven.

Maar uit angst voor een paar windscheuren nu de zesvoudige inspanning van een gelijmde mast op zich nemen, is - althans vanuit mijn gezichtspunt - enigszins onzinnig. Daarvoor wordt een boom in louter langshout gezaagd, zeer arbeidsintensief geschaafd en gefreesd, met dure lijmen op een mastbank met 125 lijmklemmen weer samengelijmd, vervolgens zoals een massief houten mast weer afgeschaafd - alles voor enkele procenten gewichtsbesparing resp. meer sterkte, voor elektriciteitskabels in het midden en vanwege een paar windscheuren - voor klassieke jachten zeker passend, maar niet voor een traditionele gebruikszeiler.

Deze tekst werd geschreven door Joachim Kaiser. De auteur stelt u de tekst kosteloos ter beschikking om daarmee bij te dragen aan het behoud en de overlevering van traditionele ambachtelijke kennis.

Mocht de tekst u verder hebben geholpen, dan verzoeken wij u hartelijk om een donatie aan de Förderverein Rigmor von Glückstadt e. V.

  • IBAN: DE51 2225 0020 0021 0502 02
  • BIC: NOLADE21WHO
  • Sparkasse Westholstein
Download als PDF

Das Vernieten von Kupfernägeln

Schritt 1
Zuerst wird ein Loch vorgebohrt, das etwas kleiner als der Nagel-Durchmesser sein sollte.
Schritt 1
Schritt 2
Der Nagel wird von außen durch das Holz getrieben, wobei von innen, direkt neben dem Nagelloch, mit einem Eisengewicht gegengehalten wird um ein Federn und Beschädigen der Planken zu vermeiden.
Schritt 2
Schritt 3
Die Nietscheibe wird von innen auf den Nagel aufgesetzt und mit dem Nietenzieher aufgetrieben. Von außen wird hierbei mit dem Eisengewicht, auf dem Nagelkopf, gegengehalten.
Schritt 3
Schritt 4
Der Nagel wird an der Stelle abgekniffen, wo er aus der Scheibe austritt. Die Scheibe sollte dabei am Holz anliegen.
Schritt 4
Schritt 5
Mit 4-6 Hammerschlägen wird nun die Scheibe mit der runden Hammerseite getrieben, während von Außen gegengehalten wird. Das abgekniffene Ende des Nagels ragt nun ein Stück aus der Scheibe heraus. Für diese Arbeit hat sich der spezielle Nietenzieher bewährt.
Schritt 5
Schritt 6
Mit der flachen Hammerseite wird das Nagelende mit einigen leichten Schlägen vernietet. Auf der Rumpfaußenseite wird gegengehalten. Für diese Arbeit kann auch der Nietenkopfmacher verwendet werden.
Schritt 6
Schritt 7
Nachdem die letzte Niete gesetzt worden ist, sollte jede Niete im Rumpf noch einmal mit zwei Schlägen auf den Nagelkopf, während von innen mit dem Eisengewicht auf der Niete gegengehalten wird, nachgezogen werden. Dadurch wird der Rumpf gehärtet.
Schritt 7